zuidgevel2

Wanneer de eerste versie van Kasteel Geldrop tot stand is gekomen, is niet bekend. Sommige bronnen spreken van een donjon, een woontoren, die in de 14de eeuw zou zijn gebouwd. In de 15de eeuw werd het kasteel bewoond door de heren van Geldrop. Het kasteel was niet hun eigendom, want ze ‘leenden’ (= pachtten) het van de hertog van Gelre. Enkele historici menen dat hier de oorsprong van de naam Geldrop ligt, namelijk dat sprake is van een verkleving en verbastering van de woorden “Gelders dorp”.

Na de heren van Geldrop kwam het kasteel in handen van de familie Van Horne. Van bewoning was echter nauwelijks sprake, zodat het kasteel – niet voor het laatst in de historie – langzaamaan in verval raakte. In 1512 ging het zelfs voor een groot deel tegen de vlakte, toen het kasteel met buskruit werd opgeblazen door troepen van Karel van Gelre, tijdens de Gelderse Oorlogen.

Ruin honderd jaar later, in 1616, begon Amandus I van Horne met de restauratie van het kasteel. Die werd uiteindelijk een groot aantal jaren later door zijn zoon Amandus II voltooid. Het jaartal 1616 is op de zuidgevel van het middendeel van het kasteel, het deel met de trapgevels, als muurankers zichtbaar. Het meest rechtse cijfer 6 is tegenwoordig beschadigd, maar dat het er is geweest, is duidelijk. De gesloten ronde vorm van de 6 is namelijk uitgefreesd in de pui, de reden waarom restauratie lastig is en kennelijk op zich laat wachten.

Amandus II van Horne woonde na de restauratie op het kasteel, samen met zijn vrouw Elisabeth della Faille (1589-1648). Zij ontvingen er belangrijke gasten, waaronder bisschop Ophovius, die in 1630 uit Den Bosch was gevlucht en tijdelijk onderdak vond in Geldrop. Speciaal voor hem werd een kapel in het kasteel ingericht. Ophovius was de biechtvader van de kunstschilder Peter Paul Rubens, die Ophovius regelmatig op het kasteel kwam bezoeken.

Elisabeth della Faille, de vrouw van Amandus II, was de dochter van Maarten della Faille. De naam “della Faille” is de geïtalianiseerde vorm van de naam “Van der Failge”, een oorspronkelijke Vlaamse familienaam. Een lid van die familie, Pieter Van der Failge, kwam na een verblijf in Italië rijk terug naar onze streken en vestigde zich onder zijn Italiaans klinkende naam in Antwerpen. Het gaat hier dus om een unieke zelfgecreëerde naam, op basis waarvan gevoeglijk mag worden aangenomen dat Amandus’ vrouw Elisabeth della Faille verwant was met Charles della Faille (1573-1636).

In 1610 was deze Charles benoemd tot secretaris van de Geheime Raad. Deze Raad was namens de aartshertogen Albrecht en Isabella verantwoordelijk voor de samenstelling en redactie van het Eeuwig Edict van 1611, dat (volgens mij) gecodeerd in de muurankers aan de zuidpui onlosmakelijk is verbonden met Kasteel Geldrop.

Wij slaan nu een kleine honderd jaar over en vervolgen de geschiedenis van Kasteel Geldrop met baron Johan Carel van Horne (18 juli 1694 – 28 augustus 1715). Hij erfde op negenjarige leeftijd, in 1703, de heerlijkheid Geldrop. Vanwege zijn jonge leeftijd nam zijn oudere zuster Maria Johanna Constantia van Horne het bestuur over de heerlijkheid waar. Johan Carel stierf op 21-jarige leeftijd, waarna zijn zuster en voormalige regente Maria de heerlijkheid erfde.

Maria van Horne trouwde in 1716 met John O’Donnoghue, een Ierse edelman die verbonden was aan de Grote Raad van Mechelen. Aangezien het echtpaar ook in het bezit was van de heerlijkheid Niel (België) en voornamelijk daar woonde, werd Kasteel Geldrop verwaarloosd. De inkomsten van de heerlijkheid werden aangewend om kosten in Niel te dekken. Een deel van het kasteel werd aan de toenmalige pastoor van Geldrop verhuurd. De woontoren vlak naast het kasteel (afgebroken in 1840) werd wel enigszins bewoonbaar gelaten. In 1746, na de dood van Maria, erfde haar oudste zoon, Jan Robert Joseph O’Donnoghue, de heerlijkheid Geldrop. Ook hij bleef in Niel wonen en Geldrop verdween helemaal uit zicht toen hij als raadpensionaris naar Brugge verhuisde.

In 1768 verkocht deze Jan Robert Joseph O’Donnoghue de heerlijkheid Geldrop voor 28.000 gulden aan de Leidse regent Adriaan van Sprangh, ontvanger van de grafelijkheids- en Wassenaarse tollen in Leiden. Van Sprangh, met familiewortels in het Brabantse Budel, was naast de eerste niet-adellijke eigenaar van het kasteel ook de eerste protestantse Heer van Geldrop. In de verkoopakte werd onder meer bepaald dat de (katholieke) pastoor ook na een eventuele restauratie op het kasteel zou blijven mogen wonen.

Adriaan van Sprangh was gehuwd met Wilhelmina Bruijst. Het echtpaar kreeg geen kinderen, zodat Adriaan in 1772 kinderloos overleed. Bij testament werden de heerlijkheid en het kasteel vermaakt aan Adriaans nicht Catharina Petronella Nobel. Zij had het kasteel van 1772 tot 1791 in haar bezit. Catharina was getrouwd met de rentmeester van Van Sprangh, de uit St. Annaparochie afkomstige Paulus Eckringa. Deze Paulus was tevens secretaris van de heerlijkheid Heeze, Leende en Zesgehuchten. De dochter van het echtpaar, Wilhelmina Johanna, erfde de heerlijkheid Geldrop van haar ouders in 1792.

Zij gaf haar naam meer aanzien door de naam Van Sprangh aan haar eigen achternaam toe te voegen: Wilhelmina Johanna Eckringa van Sprangh, Vrouwe van Geldrop. Overigens mocht zij deze titel maar tot 1795 voeren (zie volgende alinea). Wilhelmina trouwde met een advocaat, Pieter Losecaat, waarna het echtpaar onder andere in Leiden ging wonen. Het beheer over de heerlijkheid en het kasteel werd uitbesteed aan derden, terwijl de pastoor (in die tijd Petrus Heutz) nog steeds een ruimte mocht huren in het kasteel, voor 60 gulden per jaar.

Doordat in 1795 (en in 1798 nogmaals in de Noordelijke Nederlanden), in een periode dat Nederland een vazalstaat was van Frankrijk, de heerlijke rechten werden afgeschaft, kwamen er nauwelijks meer inkomsten uit de heerlijkheid. Alleen (de verhuur van) onroerend goed en het tiendrecht brachten nog wat op. Na enkele moeilijke jaren zag Wilhelmina zich daarom in 1806 gedwongen om de huisraad uit de woontoren te verkopen. Dat leverde het totaalbedrag van 549 gulden op. Het trof haar niet alleen; in het hele land werden steeds meer oud-Vrouwen en oud-Heren met financiële problemen geconfronteerd.

De opbrengst van 549 gulden van de verkoop was niet genoeg. Van 1807 tot 1809 werd het kasteelterrein verhuurd aan textielfabrikanten, zodat men op het terrein lakenramen kon opstellen om wollen stoffen op te rekken.

Het echtpaar Losecaat/Eckringa had geen kinderen, zodat Kasteel Geldrop – na hun heengaan in 1828 – eigendom werd van een nicht van Wilhelmina, Sara Hoevenaar uit Breda. Zij was een dochter van Wilhelmina’s jongste zus Amelia, die was getrouwd met Cornelis Theodorus Hoevenaar.

Sara Hoevenaar bleef in Breda wonen en bekommerde zich weinig om het kasteel. De woontoren was nog het meest in gebruik. Zo werd de toren in 1834 ingericht als een militair hospitaal voor choleralijders. In 1838 werd alles wat los en vast zat aan de toren in de verkoop gezet. Tenslotte werd de woontoren in 1840 afgebroken. Het sloopmateriaal werd verkocht, voor een deel aan de gemeente Someren. Daar werden de stenen trap en ijzeren leuningen van het raadhuis vervangen door die van de gesloopte woontoren van Geldrop.

Sara overleed ongehuwd in Breda op 10 februari 1843, waarna het kasteel en bijbehorende zaken in eigendom overgingen naar haar neef Hubertus Paulus Hoevenaar. Op dat moment woonde deze neef in Nederlands-Indië, waar hij rijk aan het worden was in de suikerindustrie. Op 5 december 1844 trad Hubertus Paulus Hoevenaar te Tegal op Java in het huwelijk met jonkvrouwe Anna Marciane Catharina Holmberg de Beckfelt.

Zestien jaar later, in 1860, keerde Hoevenaar in Nederland terug en vestigden hij en zijn gezin zich tijdelijk in Stratum (Eindhoven) op het landgoed Eikenburg. In tegenstelling tot zijn voorgangers na 1616 besloot Hoevenaar tot een grote verbouwing van zijn kasteel. Het middendeel met de trapgevels bleef bestaan, terwijl de oostpui in 1866 twee verdiepingen kreeg. Aan de westkant van het middendeel, waar tot dan toe het poortgebouw met een toegangsbrug had gestaan, werd een nieuwe vleugel gebouwd. Tegen deze westpui werd het familiewapen van Adriaan van Sprangh (1769) geplaatst. De toenmalige poort-doorgang werd hiermee vervangen door de huidige ingang van het kasteel aan de noordkant en het balkon aan de zuidkant. Een kleine vooruitstekende aanbouw aan de zuidoostkant werd afgebroken en iets naar achteren als een terras weer neergezet.

Het gezin Hoevenaar ging in 1870 op het kasteel wonen, kort nadat een tuin in Engelse landschapsstijl was aangelegd met veel aandacht voor bijzondere planten en zeldzame bomen. De destijds aangeplante Noord-Amerikaanse sequoia (Redwood) is tegenwoordig met z’n bijna 39 meter de hoogste boom van Noord-Brabant. Onderdeel van het geheel was een deels ommuurde bloementuin in carré-vorm, met daarnaast een Oranjerie en een Victoriaanse kas.

Geldrop en dominee Van Gogh

In het jaar 1649 werd de toenmalige katholieke Sint-Brigidakerk in Geldrop opgeëist door de protestanten. Deze situatie duurde tot 1795, toen de kerk weer onder katholiek beheer kwam.

Had Nuenen al in 1824 een protestantse kerk (het beroemde Van Goghkerkje), Geldrop kreeg die pas vijftig jaar later, in 1874. Het betreffende kerkje kwam te staan op de hoek van de Hofstraat en de huidige Mierloseweg, precies tegenover de toenmalige oprijlaan van het kasteel.

De Hervormde Gemeente van Geldrop kreeg het stuk grond hiervoor in erfpacht van Hoevenaar. De fondsen voor de bouw kwamen van Hoevenaar zelf en ook van enkele vermogende Geldropse industriëlen, aangevuld door een gift van 500 gulden van prins Hendrik, de broer van koning Willem III.

Kasteelheer Hoevenaar oefende grote invloed uit op de beroepingen van de Nuenense predikanten, want zij moesten ook in Geldrop komen preken. Vanwege de afstand tussen Nuenen en Geldrop, die doorgaans lopend moest worden afgelegd, haakten veel predikanten tijdens hun sollicatie af.

Dominee Van Gogh, de vader van Vincent van Gogh, had daar echter geen enkele moeite mee. Zoals uit mijn artikel over Vincents pentekening “Landschap met kerk” blijkt, moet hij de Geldropse kasteelcode al hebben gekend voordat hij in Nuenen kwam wonen. Het valt bovendien niet uit te sluiten dat de broer van dominee Van Gogh, Johannes van Gogh (Vincents oom Jan), tijdens zijn werkzaamheden voor Defensie (Marine) in Nederlands-Indië al contact heeft gehad met de latere kasteelheer Hubertus Paulus Hoevenaar.

Het kerkje heeft bestaan tot 1964 en werd toen afgebroken, omdat het plaats moest maken voor de huidige Mierloseweg in Geldrop. De voormalige torenspits bestaat nog steeds in de vorm van een duiventil op het terrein van de kinderboerderij in het kasteelpark.